José Finders

Afkomst: Limburg
José is geboren in 1956 in het Zuid Limburgse Vaals. Haar vader was een rasechte Limburger, haar moeder kwam uit Zuid Holland. “Wat er in mijn jeugd nog sterk speelde, was de oorlog. Dat had je zo in een dorp dicht bij de Duitse grens. Ik ben echt opgevoed met een enorme haat tegen de Duitsers, zo hoorde ik mijn vader nooit normaal over Duitsers spreken. Hij was de oudste van vier jongens, uit een echt arbeidersgezin, en is op z’n dertiende van school gehaald om te gaan werken en bij te dragen aan het gezinsinkomen. Zoals dat vroeger ging… Mijn vader heeft het uiteindelijk toch met hard werken geschopt tot gediplomeerd smid en werkte voor Publieke Werken van de gemeente. En hij kluste er een hoop bij, bv door geisers bij de mensen thuis te repareren, dat soort werk. Hij had ook een heel sociale inborst. Dat zag je bijvoorbeeld in de winter als hij voor de boeren de weggetjes hielp sneeuwvrij te maken, of zijn vrijwilligerswerk bij het Rode Kruis, de brandweer, het bestuur van een woningcoöperatie…”
“Mijn moeder had een diploma als kraamverzorgster, maar in die tijd werd je als vrouw nog geacht te stoppen met werken als je trouwde en kinderen kreeg. Eigenlijk doodzonde, ze had capaciteiten genoeg. En deed wel haar leven lang vrijwilligerswerk, o.a. bij de lokale sportvereniging”.
José vertelt trots dat allebei haar ouders wel een lintje hebben gehad, een koninklijke onderscheiding dus, voor hun vrijwilligerswerk en bij haar vader ook voor zijn 40 jaar werken zonder ooit een dag ziekteverlof.
“Thuis waren we best wel katholiek, maar mijn vader was ook wel kritisch op de kerk, hij had het met regelmaat over ‘de zwartrokken’ en dat de kerk heulde met het kapitaal. Hij keek met een sociaal bewogen blik naar de samenleving, en droeg op zijn manier bij aan meer rechtvaardigheid. Ik denk dat ik daar aardig wat van mee heb gekregen. Mijn ouders bleven aanvankelijk wel verbonden met de kerk, dat hele Zuiden was natuurlijk mega-katholiek. Mijn jongere zus en ik bleven ook braaf naar de kerk gaan, totdat we gingen puberen en een ommetje maakten in plaats van de kerk binnen te gaan. Dat hebben we op een zeker moment opgebiecht…en ik vergeet nooit dat mijn vader toen zei ‘oh als jullie niet meer gaan, dan doe ik dat ook niet meer….want ik ging alleen maar om een voorbeeld voor jullie te zijn..’ Dat was in zekere zin wel een schok voor me.”
Inspiratie
José vertelt dat haar moeder ook uit een groot katholiek gezin in het Westland kwam. Twee van haar zussen waren non geworden. Eén van hen werkte lange tijd in Tanzania: “die tante heeft grote indruk op me gemaakt. Ze stuurde van die ouderwetse blauwe luchtpostbrieven, waardoor ik rechtstreeks informatie kreeg van elders in de wereld, buiten mijn directe kleine Limburgse omgeving. Ze was verpleegkundige, kwam om de zoveel jaar ook wel naar Nederland op bezoek, en dat had invloed op me. “Dat inspireerde me ook om samen met wat gelijkgezinde vrienden in Vaals een wereldwinkel op te richten. Best wel spectaculair als je bedenkt dat ik pas 17 was.. Het was ook de tijd van Allende in Chili, 1973, de Vietnamoorlog, dat speelde allemaal mee. Eigenlijk was het ook wel een bizarre tijd, ik zat ook steeds op meisjesscholen verbonden aan een klooster, een aantal docenten waren nonnen…je maakte ook mee dat er relaties ontstonden tussen nonnen en paters, je hele wereldbeeld gaat dan schuiven…”
Studietijd: onafhankelijkheid en werken aan betere wereld
“Ik heb toen wel wat moeten doorzetten om te gaan studeren, mijn vader vond het al heel mooi als ik ergens op kantoor zou belanden, en een beetje onzin dat ik ook nog zou gaan studeren. Mijn moeder steunde me daar wel meer in, en gelukkig lukte het om een studiebeurs te krijgen, waardoor ik financieel onafhankelijk van mijn ouders kon worden. Dat vond ik echt een heel groot goed….ik kon op kamers gaan wonen en wilde mijn ouders dat financieel ook niet allemaal aan doen. Ik zag ook hoe hard mijn vader werkte! En ik was dus pas net 18 toen ik naar Tilburg verhuisde, dat was toen de dichtstbijzijnde universiteit om economie te studeren…”
“Mijn vader heeft later wel tegen me gezegd hoe goed hij het vond dat ik dat toch heb doorgezet, ofschoon ik best lang over mijn studie heb gedaan, ook vanwege al die andere activiteiten waar ik in belandde..”
“Mijn keuze voor economie was vooral gemotiveerd door mijn drang om een bijdrage te willen leveren aan een betere wereld. In het begin viel de studie me tegen, vond ik het allemaal nogal theoretisch. Later beviel het me beter, werd ik ook actief in werkgroepen rond ‘politiek en economie’, dat hield me wel op de been. Ik deed keurig mijn propedeuse en kandidaats, en later werden Lou Keune en Wim Pelupessy mijn afstudeerbegeleiders. Dat gaf ook meer aansluiting bij een groep studenten die kritisch naar economische modellen keek, deels was dat ook buiten de studie om. Met name Lou was daarbij enorm inspirerend, je zat onder zijn begeleiding ook in kleinere groepen van zo’n 15 of 20 mensen, en was projectmatig bezig rond thema’s als Suriname, ongelijkheid, voedselzekerheid etc…”
“Ik leerde ook Chileense vluchtelingen kennen, en begon met Spaans. En ontmoette ook Wim Dierckxens en Mariette Uitdewilligen, die zaten toen al in Midden-Amerika, en die vroegen ons in Tilburg een El Salvador Comité op te richten…. Zo is het landelijke ESKN ontstaan. Vooral Wim Pelupessy was daarin de voortrekker, samen met Lou ook.
Inmiddels was ik ook in een zomervakantie naar mijn tante in Tanzania geweest, een aantal weken, en ook dát was een enorme indrukwekkende en inspirerende ervaring voor me, vooral dat voorbeeld van mijn tante, hoe geliefd zij daar was en als verpleegkundige heel veel vrouwen hielp bij bevallingen.”
“Ik was intussen ook wel tot de overtuiging gekomen dat ik mijn studie echt wilde afronden met praktisch onderzoek. Dat werd uiteindelijk een opdracht rond bananen in Costa Rica, waar ik in mei 1980 voor een klein jaar naar toe ging.
El Salvador
De belangstelling voor El Salvador was inmiddels enorm gegroeid, ook hier in Nederland, o.a. vanwege de moord op Mgr. Oscar Romero in maart van dat jaar, en natuurlijk de groei van het verzet, de burgeroorlog die zich ontwikkelde etc. Dat betekende ook dat de informatievoorziening daarover hier in Nederland ook belangrijker werd, en ik heb daar zeker in mijn periode in Costa Rica – die liep tot maart 1981 – een rol in gespeeld. Ik had daar ook een goed netwerk, met o.a. Wim en Mariette, en met Holke Wierema en Janny die in Nicaragua zaten toen…daar reisde ik ook heen. Ik voelde de euforie die daar toen nog heerste zo kort na de overwinning van de Sandinisten in juli 1979. Ik was ook in Managua bij de viering van één jaar revolutie in juli ’80. Daar proefde je ook de sfeer van ‘hier is het gelukt en nu volgt El Salvador…’ En zowel daar als in San José ontmoette je natuurlijk ook mensen van het Salvadoraanse verzet..”
Dag en nacht actief
“ We hadden bij het ESKN in Tilburg een groep mensen in de kerngroep die zo ongeveer dag en nacht met het comitéwerk bezig waren.
Wim (Pelupessy) had dan nog een baan en een inkomen vanuit de universiteit. Maar de rest leefde voor een groot deel van een studiebeurs of van een uitkering. Ik had die dus ook, een beurs. Maar op een gegeven moment dreigde daar een einde aan te komen. Doordat ik prioriteit gaf aan mijn werk voor het comité studeerde ik maar niet af. Ik heb toen nog een aantal keren een gesprek gehad met de studieadviseur. Ik moest iedere keer vertellen dat mijn studie nog langer zou gaan duren. Maar op een gegeven moment ontving ik natuurlijk geen beurs meer.
En toen Wim en Lou en anderen zagen dat er iets moest gebeuren omdat ik niet meer van de lucht kon leven toen heb ik zeker van hen ook steun gehad en is er voor mij een werkervaringsplaats op de universiteit geregeld om weer een jaar van inkomsten verzekerd te zijn.
We zijn begonnen met het comité in het huis van Wim en Elisabeth. Moet je je voorstellen, met vier kleine kinderen erbij. Totdat het comité echt te groot werd. Toen zijn we een ruimte gaan huren in het voormalige Elisabeth ziekenhuis.”
Delegaties begeleiden
“Ik was vooral actief als begeleidster en tolk van delegaties en muziekgroepen uit El Salvador die Nederland bezochten. Er kwamen echt veel delegaties, zeker na de moord op de 4 Ikon-journalisten. Zo kwamen er vertegenwoordigers van diverse vakbonden zoals de bond van landarbeiders en van onderwijzers, maar ook van bijvoorbeeld studentenorganisaties, en natuurlijk van de koepelorganisatie FMLN-FDR. En ik heb ook de schrijver Manlio Argueta en muziekgroepen als Yolocamba I Ta en Banda Tepeuani en de mimegroep Añil begeleid op hun Europese tournees.”
Met Manlio die toen in Nederland was vanwege het verschijnen van zijn roman Een dag in El Salvador heeft José nog steeds contact. Met de begeleiding van sommige delegaties was José gedurende hun verblijf in Nederland full- time in de weer. “Ik heb in die periode nog een aantal maanden in het huis van Wim en Elisabeth gewoond. Zij waren met hun gezin naar Peru of Nicaragua voor het werk van Wim. Ik verruilde mijn studentenkamer voor hun huis. En daar was dan ook het onderdak voor Salvadoraanse delegaties”
“Ik heb ook heel veel van de Nederlandse samenleving geleerd door de bezoeken die al die delegaties aflegden in Nederland. Ik kwam hierdoor bij organisaties en in dorpen en steden waar ik anders nooit geweest zou zijn. Wat mij aansprak bij het FMLN en het FDR was dat die een enorme basis hadden, zij hadden echt steun uit vele lagen van de bevolking. En dat vertaalde zich daarin dat vertegenwoordigers vanuit allerlei hoeken van de Salvadoraanse samenleving naar Europa kwamen.”
Daarnaast trad José als vertegenwoordigster van het ESKN op in het Europees overleg van El Salvador Komitees, runde daartoe het Europees secretariaat, en was zij namens de Europese komitees ook vertegenwoordigster in het ‘Frente Mundial de Solidaridad con el Pueblo Salvadoreño’, tegen de VS-interventie in Midden-Amerika.
“Ik ben ook naar vergaderingen van dit Frente geweest in Mexico en in Cuba. Dat waren altijd weer momenten dat je nog verder kon werken aan het onderhouden van je netwerkrelaties. Ik kwam zo dus een aantal keren in Midden-Amerika maar ben in die periode nooit in El Salvador geweest. Terwijl me dat natuurlijk wel enorm aansprak, zeker in de periode dat er sprake was van bevrijd gebied.”
Medisch solidariteitswerk
“Vanaf 1981 werd er op verzoek van het FMLN ook ondersteuning op medisch vlak geboden. Dit gebeurde aanvankelijk vanuit een medische commissie die onderdeel uitmaakte van het ESKN. In deze commissie zaten gelukkig ook bevriende apothekers, artsen en verpleegkundigen.”
“In de loop der jaren hebben we zo’n 50 grote zendingen gedaan. Niet alleen medicijnen werden er gestuurd. We hebben zelfs twee complete veldhospitalen verzonden. Voor dit werk moesten een groot aantal logistieke zaken worden geregeld. Aan twee kanten. Je moet je voorstellen dat we die medicijnen op een gegeven moment vooral in bevrijd gebied wilden krijgen.
En ook wel naar vluchtelingenkampen aan de grens in Nicaragua en Honduras. Dus we hadden zowel bij de ontvangst in Midden-Amerika als hier aan de Nederlandse kant een goed netwerk nodig. We hebben toen met bevriende mensen verschillende stichtingen opgericht. Om de verzender maar zo neutraal mogelijk te laten lijken. En ook werden de medicijnen soms naar katholieke organisaties in Midden-Amerika gestuurd. Die dan weer zorgden dat het op de plek van bestemming kwam die nauw was afgestemd met het FMLN.
We wisten precies wat ze wilden hebben. Antibiotica was bijvoorbeeld belangrijk. Maar ook wondzalf, zalf tegen brandwonden of hulpmiddelen zoals rolstoelen. En bij elke zending ging het boek ‘Donde no hay doctor’ mee.
De eerste jaren hebben we nog medicijnen ingezameld. En dan uitselecteren en zorgen voor Spaanstalige bijsluiters. Monnikenwerk was dat. En een deel van wat ingezameld was, was niet bruikbaar. Dus op een gegeven moment zijn we overgestapt op alleen nog inkopen. En ook soorten zalf zijn zelfs hier in Nederland nog door bevriende mensen gemaakt. Want dat was vrij goedkoop nog zelf te doen.”
“Daarnaast hebben we ook nog de uitzending van enkele mensen verzorgd. Zoals van Fred van der Veen. Die werkte van september 1981 tot november 1982 in door het FMLN gecontroleerd gebied. En die heeft daarna zijn ervaringen opgeschreven in het boekje Leven in bevrijd gebied. Zowel in het Nederlands als in het Spaans. En de vrouw van Lou Keune, Wil, is ook uitgezonden geweest. Die is uiteindelijk niet in het bevrijd gebied terechtgekomen. Maar bij de vluchtelingen in Nicaragua. En ik was naast Lou ongeveer de enige die daarvan op de hoogte was.”
Nadat aanvankelijk het medisch werk nog als commissie vanuit het ESKN gedaan werd, is dat in een latere fase verzelfstandigd in het Medisch Komitee El Salvador (MKES) en verder gegaan in een eigen stichting onder de naam Yamilet.
Groei beweging
Op de hoogtijdagen van het solidariteitswerk, zeker na de moord op de Ikon-journalisten, waren er naast het ESKN zo’n 40 lokale El Salvador-comités actief. Ook werd er samengewerkt met andere Midden-Amerika-comités, met name rond Guatemala en Nicaragua.
“We draaiden al een aantal jaren. Als landelijk comité hebben wij er altijd voor gewaakt om in politiek opzicht in Nederland niet te nauw gelieerd te worden aan één partij. We hebben er bewust voor gezorgd zo’n breed mogelijk deel van de Nederlandse samenleving betrokken te krijgen bij ons werk.
En ik denk dat ons dat in die tijd redelijk gelukt is. Slagvaardig effectief, zou je kunnen zeggen. En ik snap ook dat op een gegeven moment vanuit plaatselijke comités het verzoek kwam om meer betrokken te worden bij de besluitvorming. Dat is ook geprobeerd, via een landelijk beraad dat op een gegeven moment ontstaan is. Dat kwam maandelijks bij elkaar. Maar soms moest je snel beslissingen nemen. En soms waren dingen ook vertrouwelijk of geheim. En kon je dat niet met iedereen delen. Maar ging je achteraf verantwoording afleggen. En dat is altijd naar eer en geweten gebeurd”.
Doorgaan of niet
In april 1983 wordt de solidariteitsbeweging geconfronteerd met de moord op Ana María en de zelfmoord van Marcial, twee kopstukken van het FMLN. Die waren het gevolg van een richtingenstrijd over, heel kort door de bocht geformuleerd, de vraag of de gewapende strijd moest worden voortgezet of dat er moest worden onderhandeld met de regering.
Deze gebeurtenissen zorgden natuurlijk voor een enorme schok bij de solidariteitsbeweging. Veel mensen raakten gedesillusioneerd en trokken zich terug, wat uiteindelijk leidde tot een forse inkrimping van het solidariteitswerk.
José: “Ik was in het ESKN en in de medische commissie actief. Dus voor mij was toen de vraag ‘kan ik het voor mezelf verantwoorden om actief te blijven na alles wat er gebeurd is’. Voor mij was het belangrijk dat ik het werk deed voor de bevolking die verstoken was van fatsoenlijke gezondheidszorg. Zij verdienden in mijn ogen een continuering van die ondersteuning en mochten niet het slachtoffer worden van die richtingenstrijd. Bovendien kregen we altijd signalen dat ze blij waren met de ondersteuning, en wensten dat we daarmee door zouden gaan. Dus blijkbaar werkte ons netwerk goed, en heb ik er voor gekozen om dat door te zetten”.
Verandering
Eén andere ontwikkeling die bijdroeg aan een verdere inkrimping van het solidariteitswerk was dat het FMLN en FDR steeds meer vertegenwoordigers in Europa stationeerden, en die op den duur met instructies probeerden te bepalen wat de solidariteitscomités moesten doen. Terwijl wij altijd zeiden dat wij dat beter konden inschatten in Nederland omdat wij hier de verhoudingen kenden; we wisten wat voor soort acties je hier het best kunt voeren. FMLN en FDR gingen toen focussen op het leggen van banden met de Sociaal Democratie en leken het solidariteitswerk minder belangrijk te vinden. Terwijl vanuit ons toen de gedachte was van als je je alleen maar gaat focussen op de Sociaal Democratie, bijvoorbeeld via de buitenlandsecretaris van de PvdA, dan kun je misschien wel iets voor elkaar krijgen in de lobbysfeer. “Maar dat zijn geen mensen die zo’n hele solidariteitsbeweging gaan steunen. Of zoals wij gedaan hebben, dag en nacht met hart en ziel je daarvoor inzetten.”
De gewapende strijd
“Over het gebruik van geweld is in het ESKN eigenlijk nooit een discussie geweest. Het was toen gerechtvaardigd, er moest gedaan worden wat nodig was. Daar sta ik op zich nog steeds achter. De macht in El Salvador was in handen van slechts 14 families. Er heerste een enorme armoede en repressie. Alle democratische, legale wegen leidden gewoon helemaal nergens toe.”
“Op een gegeven moment was de gewapende strijd letterlijk de enige uitweg. En dat was in een periode dat het verzet ook de steun had van de bevolking. En dat vind ik wel heel belangrijk, het is natuurlijk hun strijd. Ik kan me herinneren dat ik dat heel erg doorslaggevend vond in het geval van El Salvador, dat het geen geïsoleerde bevrijdingsbeweging was maar een beweging die absoluut kon rekenen op brede steun vanuit de bevolking. Dat heeft mij wel over de streep getrokken als het ware.”
Na het ESKN
Feitelijk stortte de Salvador-beweging toen ook wel in, zo rond ‘85/’86. “Ik was inmiddels ook afgestudeerd, aan het werk, en ben nog een paar jaar op een lager pitje bestuurslid geweest van de Stedenband Tilburg-Matagalpa (SSTN). Ik had een hele leuke baan op de Vrouwenvakschool, waar ik les gaf en coördinator was. Dan heb je ook te maken met de ongelijkheid in Nederland. Ik heb me daar ingezet voor het creëren van betere kansen voor herintredende en allochtone vrouwen. En de jonge kinderen die we inmiddels hadden werden daar prima opgevangen in het eigen kinderdagverblijf.
Mijn man Tom kon een paar jaar later aan de slag bij Cebemo, het latere Cordaid. En ik kwam na onze verhuizing bij Novib terecht als financieel medewerker, midden jaren ’90. En in die baan kwam ik eindelijk voor het eerst in El Salvador! En toen ik daar met twee collega’s op reis was werden we gevraagd als waarnemers bij de verkiezingen. Dat verzoek kwam via Hector Silva, partner van Novib en toen ook burgemeester van San Salvador. Dat was erg bijzonder en we vonden dat ook heel eervol.
Ik heb bij Novib een heel leuke tijd gehad, maar toen werd aangekondigd – na ingewikkelde en langdurige discussies – dat op termijn het programma in Latijns Amerika zou worden gestopt, besloot ik om daar niet meer bij te willen zijn. Ik bleef nog wel bij het continent betrokken door een tijd lang in het bestuur van de stedenband Den Haag-Juigalpa (Nicaragua) mee te draaien, maar wat het werk betreft ging ik me op de Nederlandse problematiek in het sociaal domein concentreren. Ik werkte eerst een tijdje bij de gemeente Den Haag, en vervolgens 17 jaar bij de gemeente Leiden, tot aan mijn pensionering..”
De moeite waard?
José: ”ik denk meteen aan wat ik het ‘compañero-gevoel’ zou willen noemen: vooral in de samenwerking met mijn comité-genoten en Salvadoraanse vrienden beleefde ik dat heel sterk, die hechte kameraadschap, je stond samen voor een ideaal, dat heb ik nergens anders meer zó sterk ervaren..
Ik heb daar ook heel veel van geleerd en heb mezelf daar echt aan kunnen geven, mijn drive om iets goeds voor de wereld te doen heb ik daar de ruimte kunnen geven..”
“Tsja, als je naar het ‘grotere resultaat’ zou kijken, dan vind ik dat eigenlijk lastig te beoordelen, dat is vooral aan de Salvadoranen om daar iets van te vinden..
De strijd was gerechtvaardigd, en in die tijd hebben we kunnen bijdragen aan ondersteuning op meerdere fronten en voor velen de hoop levend gehouden. Misschien zijn er uiteindelijk wat dingen beter geworden in El Salvador, iets van democratie, gezondheidszorg… Al moet je dan weer meteen zeggen ‘ja maar Bukele..’ En ook in El Salvador zien we hoe macht corrumpeert, dat is ook het FMLN overkomen. En dan heb je ook nog de machtsfactor van de VS en multinationals. Dat zijn ingewikkelde processen waar je vanuit de solidariteitsbeweging maar beperkt invloed op had..”
.